Categorie archief: Buitenlandse archeologie

Vergeten Bier tot leven gewekt

 Door: Folkert Westra

Archeologie en bier vormen traditioneel een goede combinatie. Nu is het zelf mogelijk om een archeologisch verantwoord biertje te drinken.
In 2010 troffen duikers bij een onderzoek van een scheepswrak uit 1842 voor de Finse kust een lading van 145 flessen champagne en 5 flessen bier aan. Het was in de 19e eeuw niet heel gebruikelijk dat bier in flessen zat, maar juist door het gebruik van glazen flessen was de inhoud goed geconserveerd. Om het recept van het bier te reconstrueren werd aangeklopt bij de onderzoeksgroep Brouwerijtechnologie van de KU Leuven. De onderzoeksgroep werkte een jaar aan de reconstructie van het bier. Op basis van de micro-organismen in de flessen kon worden nagegaan welk gist en welke bacteriën de 19e-eeuwse brouwers gebruikten. Hieruit bleek tevens dat het bier oorspronkelijk uit België afkomstig was. Met de gevonden ingrediënten werd een reeks proefbieren gebrouwen, waar uiteindelijk het bier met de beste smaak is uitgekozen. Het laboratorium produceerde in totaal 1500 liter bier en kon daarmee ongeveer 1700 flesjes vullen. Om de reconstructie zo nauwkeurig mogelijk te benaderen is gebruik gemaakt van flessen van handgeblazen glas.

De Finse bierbrouwer Stallhagen gaat het bier in productie nemen, onder de noemer Stallhagen Historic Beer 1842. Voor een luxefles van dit Historic Beer, in de handgeblazen flessen, betaal je overigens maar liefst 113 euro. Je geld wordt wel goed besteed; een deel van de opbrengst komt ten goede aan wetenschappelijke projecten, zoals archeologisch onderzoek in de Finse wateren.

Bron: nieuws.kuleuven.be.

Grottekeningen te Indonesië: oudste van de wereld

Door: Jacobine Melis

Uit nieuw onderzoek op prehistorische schilderingen in een grot te Maros, Zuid-Sulawesi (Indonesië) blijkt dat de schilderingen de oudste grotschilderingen in de wereld zijn. Voorheen werd gedacht dat de schilderingen in West-Europa, in Spanje en Frankrijk, de oudste waren. Er werd vanuit gegaan dat het idee van kunst in Europa is ontstaan, maar deze ontdekking zet dat geheel op zijn kop.

Ontdekking
De grotschilderingen zijn al in de jaren ’50 van de vorige eeuw gevonden door de Nederlandse archeoloog H.R. van Heekeren. Het betreffen handafdrukken die gemaakt zijn door de hand dicht tegen de muur te drukken en vervolgens verf rond de handen te blazen; figuratieve afbeeldingen van gehoefde dieren die in het gebied voorkwamen en van menselijke figuren.

Onderzoek
Het onderzoek is uitgevoerd op de stalactietachtige blaasjes die op de tekeningen gevormd zijn. De chemische analyse van de blaasjes toont aan dat de handafdrukken minimaal 39.900 jaar oud zijn. Op eenzelfde wijze zijn de tekeningen van dieren onderzocht, hieruit bleek in de grot tevens de oudst bekende figuratieve schildering te zijn: een Indonesisch varken daterende tussen 35.700-35.400 jaar geleden. De jongste afbeeldingen in de grot dateren uit 27.000 jaar geleden, dit betekent dat mensen hier over een tijdspan van 13.000 jaar geregeld in de grond kwamen.
Het onderzoek op deze resten is het begin van uitgebreid onderzoek in dit gebied. Verwacht wordt dat er hier in de komende jaren nog veel belangrijke ontdekkingen zullen volgen.

Belang voor de archeologie
Kunst en het abstracte denken zijn belangrijke ontwikkelingen in de evolutie van de mens, dit is wat de mens onderscheidt van andere dieren. Eerder werd er vermoed dat deze eigenschap zich ontwikkeld heeft in Europa. Maar nu blijkt dat er op zo’n grote afstand van elkaar vergelijkbare ontwikkelingen zijn geweest, is het waarschijnlijk dat de moderne mens deze creativiteit al in Afrika heeft ontwikkeld. En toen de mens Afrika verliet en zich verspreidde over Europa en andere continenten deze eigenschap al met zich meedroeg.
Het is kortom een zeer belangrijke ontdekking om te bepalen wanneer de eigenschappen van de moderne mens zijn ontdekt.

Bron: BBC

De dood van een Koning

Door: Folkert Westra

Hij is waarschijnlijk een van de meest gehate koningen van Engeland: Richard III – de tirannieke, misvormde en gebochelde vorst, die we kennen van Shakespeare. Misschien wel met een geschifte geest, die nergens voor terugdeinsde en zelfs zijn eigen neefjes zou hebben laten ombrengen om zijn kroon veilig te stellen. In 2012 werd het skelet van Richard ontdekt onder een parkeerplaats in Leicester en sindsdien is er veel onderzoek op de resten verricht. Recentelijk zijn er onderzoeksresultaten naar buiten gekomen die meer duidelijkheid geven over de dood van Richard.

Rozenoorlog
Richard III was koning ten tijde van de Rozenoorlog, een oorlog die tussen 1455 en 1487 de Engelse adel verscheurde in, wat je nog het beste kan omschrijven als een uit de hand gelopen familieruzie. De rozenoorlog was een strijd tussen de huizen van Lancaster en York. Beide huizen stamden af van Koning Edward III en voerden respectievelijk een rode en een witte roos als embleem, vandaar de benaming rozenoorlog. Ten tijde van het uitbreken van de oorlog lag de macht bij koning Henry VI, afkomstig uit het huis Lancaster. Zijn koningschap en zijn mentale gesteldheid waren op zijn zachtst gezegd niet stabiel. Henry kon periodes hebben dat hij leed aan krankzinnigheid en was op die momenten niet in staat om het land te besturen. De macht van Henry was verre van absoluut. Andere partijen zagen hierdoor hun kans schoon zich meer macht toe te eigenen. Richard, Hertog van York en vader van de latere Richard III, deed tevergeefs een greep naar de macht en moest dit met de dood bekopen. Zijn zoon Edward was echter wel succesvol en wist Henry te verslaan. Edward werd vervolgens gekroond tot koning Edward IV. Edward stelde zijn jongere broer Richard, hertog van Gloucester aan als bestuurder in het noorden van Engeland. Richard voerde zijn taak goed uit en genoot daardoor in deze regio grote populariteit, zelfs tot de dag van vandaag.
Bij de dood van Edward IV in 1483, waren zijn beide zonen nog minderjarig. Zijn oudste zoon zou de nieuwe koning worden en Richard zou als regent optreden zolang de nieuwe koning nog minderjarig was. Veel Engelse edelen waren bang dat de Woodvilles (familie van de weduwe van Edward IV) de macht zouden grijpen tijdens het regentschap. Het huwelijk tussen Edward IV en zijn vrouw werd daarom onwettig verklaard. Hiermee waren de zonen van Edward bastaards en daardoor geen troonopvolgers. Als gevolg hiervan werd Richard koning. Richard liet zijn neefjes onderbrengen in de Tower of London. Zij werden daarna nooit meer gezien en er ontstonden geruchten dat Richard zijn neefjes had laten ombrengen. Iets wat nooit is bewezen.

De dood van Richard
Afgezien van de regio’s in het noorden had Richard in de rest van Engeland weinig steun. In 1485 zag Henry Tudor dan ook zijn kans schoon om met een invasiemacht de oversteek van Frankrijk naar Engeland te wagen. Henry behoorde tot de Lancaster familie en had een vage claim op de Engelse troon. Hij landde in Wales met een klein leger, dat vervolgens werd aangevuld met sympathisanten uit Wales en Engeland. Toen het leger van Henry tegenover dat van Richard kwam te staan bij Bosworth field op 22 augustus 1485, was het echter veel kleiner. Henry’s leger omvatte zo’n 5000 manschappen, dat van Richard bestond uit ongeveer 10.000 man. Daarnaast was er nog een derde partij op het slagveld aanwezig; dat van de familie Stanley, maar dat hield zich in eerste instantie afzijdig, om later te kunnen kiezen voor de meest gunstige partij.

Ondanks de numerieke overmacht ging de slag voor Richard niet goed. Toen de mannen van Henry de overhand begonnen te krijgen op de mannen van Richard wilde deze zijn reserve troepen inzetten, maar deze kwamen om onduidelijke redenen niet te hulp, waardoor Richard het overwicht kwijt was. Richard dacht de slag nog in zijn voordeel te kunnen beslissen toen hij merkte dat Henry met een kleine groep manschappen verwijderd was van het grote deel van zijn leger. Richard leidde een uitbraak en hoopte Henry te kunnen doden en de strijd te kunnen beslechten. Hij wist met een aantal volgelingen dicht bij Henry te komen en een aantal lijfwachten te doden. De Stanley’s die zich tot dan toe afzijdig hadden gehouden besloten op dat moment partij te kiezen voor Henry Tudor. Richard en zijn mannen werden ingesloten door de mannen van Stanley en geleidelijk een moeras in gedwongen. Hierbij kwam het paard van Richard vast te zitten en was de koning hoogstwaarschijnlijk gedwongen af te stappen. De kronieken vertellen dat Richard door meerdere tegenstanders werd aangevallen en meerdere slagen tegen zijn hoofd kreeg. De genadeklap zou zijn uitgedeeld met een hellebaard. In de kronieken wordt verder vermeld dat Richard zijn helm nog op had ten tijde van zijn dood, maar de meest recente archeologische resultaten spreken dit tegen. De schedel van Richard vertoont meerdere verwondingen veroorzaakt door dolken en zwaarden en een verwonding aan het achterhoofd die hoogstwaarschijnlijk is veroorzaakt door een hellebaard. De verwondingen duiden er op dat Richard ten tijde van zijn dood geen helm meer droeg. Het onderzoek toont verder aan dat het lichaam van Richard na diens dood nog verder is verminkt. Waarschijnlijk is zijn lichaam ontdaan van zijn harnas en is er met een dolk in zijn achterwerk gestoken.

Een verkeerd beeld
Eerder archeologisch onderzoek gaf al meer duidelijkheid over de fysieke gesteldheid van Richard III. Het was de Tudor-dynastie er alles aan gelegen om hun machtsovername te rechtvaardigen en Richard zwart te maken. Zo wordt Richard er van beschuldigd zijn eigen vrouw te hebben vergiftigd en zou hij opdracht hebben gegeven zijn neefjes te laten vermoorden. Verder wordt Richard neergezet als een misvormde en gestoorde vorst. Hij zou een bochel en een misvormde arm hebben gehad en mank hebben gelopen. Ook Shakespeare deed mee aan de propaganda van de Tudors. Het archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat Richard leed aan scoliose, een gekromde ruggengraat, waardoor zijn rechterschouder waarschijnlijk hoger stond dan zijn linker. Van andere misvormingen was geen sprake. Waarschijnlijk is het scheef staan van de schouders in latere verslagen aangedikt tot een bochel, om Richard een afzichtelijker uiterlijk te geven. Het archeologisch onderzoek heeft er toe bijgedragen dat een deel van de zwartmakerij kan worden ontkracht en een deel van Richards eer kan worden gered.

Gaskamers te Sobibór gevonden

Door: Jacobine Melis

Sobibór was een van de vernietigingskampen in Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op dit moment vinden er opgravingen plaats om een beter beeld te krijgen van de omvang van het kamp en het tastbaar te maken voor volgende generaties. Na acht jaar zijn de fundamenten van een rechthoekig gebouw van 13×20 m aangetroffen, waarbinnen in ieder geval vier gaskamers (waarschijnlijk omvat het nog niet opgegraven gedeelte tevens vier gaskamers).

Opgraving
Op de plaats waar het kamp heeft gestaan bevindt zich een bos. Bovengronds is alles afgebroken, maar in de bodem liggen nog vele sporen verborgen. Het kamp is snel na de opstand (zie onder Sobibór) vernietigd en er zijn maar erg weinig overlevenden, veel over het kamp is dan ook nog onbekend. Men wist alleen de locatie van de graven en het perron. Het doel van het onderzoek is dan ook om te achterhalen hoe het kamp eruit zag, wat de Joden doormaakten en om hoeveel mensen het zou zijn gegaan.
De opgravingen zijn nu acht jaar bezig, in een project om Sobibór zichtbaarder te maken; tastbaarder voor volgende generaties. Vier jaar geleden werd al vermoed waar de restanten van de gaskamers zouden zijn, maar omdat dat juist de locatie was waar het monument stond, duurde het nog vier jaar voor men toestemming had het monument te verplaatsen en een opgraving te verrichten. Op woensdag 17 september 2014 werd hier de exacte locatie gevonden van de gaskamers. Verrassend was het dat de fundamenten van de gaskamers nog intact waren. Onder de asfaltweg werden rijen bakstenen gevonden, van vier bakstenen diep. Ze vormde een groot rechthoekig gebouw van 13×20 meter met twee aparte gedeeltes. In het rechter gedeelte werden vier gaskamers aangetroffen. Het linker gedeelte moet nog onderzocht worden, maar men verwacht dat hier ook vier gaskamers aan te treffen. Dit gedeelte zal wel aangetast zijn bij de bouw van het monument in de 70’er jaren.

Achter het gebouw lag een ruimte waar de benzinemotoren hebben gestaan die de gassen in de kamers bliezen. Aan de oostzijde lag de barak van de Sonderkommando. Aan de westzijde zijn veel persoonlijke bezittingen aangetroffen, hier zijn waarschijnlijk de lijken van hun laatste bezittingen ontdaan. Voorwerpen die hier zijn aangetroffen zijn onder andere gouden tanden, sieraden, brillen en kunstgebitten.
Nadat de opgravingen klaar zijn zal er een groot landschappelijk monument komen met een museum waar de opgegraven voorwerpen een plek vinden.

Sobibór
In Sobibór zijn, onder de codenaam Aktion Reinhard, tijdens de Tweede Wereldoorlog vele Joden, Roma en niet-Joodse Polen zijn vermoord. De mensen kwamen uit heel Europa met treinen aan en werden bijna gelijk na aankomst vermoord in de gaskamers. Het is niet duidelijk hoeveel mensen in Sobibór omgekomen zijn, maar het aantal zou tussen de 170.000 en een kwart miljoen liggen; waaronder bijna 35.000 Nederlandse joden die vanuit kamp Westerbork waren gedeporteerd.
Het kamp sloot op 14-10-1943, na de succesvolle ontsnapping van vele gevangenen. De opstand werd geleid Leon Feldhendler en Alexander Petsjerski, leden van de Sonderkommando (een groep gevangenen die moesten helpen met het vernietigingsproces in de kampen). Verschillende Duitse officieren en bewakers van het kamp zijn tijdens de opstand gedood. Circa 300 gevangenen wisten het kamp te ontvluchtten. Velen van hen zijn echter door de Duitsers gepakt en vermoord; ook velen vonden de dood in sloten en het mijnenveld dat om het kamp lag. Er zijn maar 52 mannen en vrouwen die Sobibór overleefden.
Na de opstand werd het kamp gesloten en door de Duitsers met de grond gelijk gemaakt. Over de resten van de gaskamers werd een asfaltweg gelegd en er zijn zelfs verhalen dat de Duitsers groenten verbouwden boven de resten.

De Nederlandse archeoloog, Ivar Schute, heeft meegewerkt aan de opgravingen in Sobibór. Hij hield zich bezig met de vondstverwerking. In een interview met NPO radio 1 van 21 september vertelt hij over de opgraving. Zeker een tip om dit te luisteren! Klik hier om naar het interview te gaan.

Nederlands fort gevonden op Java

Kaart van Indonesië, met in het rood het eiland Java. Bron: nl.wikipedia.org
Kaart van Indonesië, met in het rood het eiland Java. Bron: nl.wikipedia.org

Door: Jacobine Melis

Op het eiland Java te Indonesië is een oud Nederlands fort aangetroffen. Het fort is gevonden in het dorp Kota Lama (Oude Stad) in het Regentschap Semarang, Centraal-Java. Het fort is gebouwd in de 50er jaren van de 18e eeuw om onderdak en bescherming aan de eerste Nederlanders op Centraal-Java te bieden. Waar rivaliteit heerste tussen de nieuwe machthebber, de Nederlanders, en de verschillende heersers op het eiland.

Het fort
Het fort is gebouwd als exclusieve residentie voor de Nederlandse bewoners in het gebied, voordat de regio onder Nederlands beheer werd uitgebreid. Het beschermen van de Nederlandse bevolking in een apart fort, moet gezien worden in een periode van onrust tussen de Nederlanders en de inheemse bevolking. Het fort had 6 bastions: Bastion de Zee, de Hersteller, Amsterdam, IJzer, Ceylon en -de bij deze opgraving opgegraven- Bastion de Smith. Naast de fundering van het fort is ook veel aardewerk gevonden, die duidt op de Nederlandse bezetting. Het fort werd in 1824 vernietigd, omdat het Nederlands gebied was uitgebreid was zo’n exclusief fort niet meer nodig.

Nederlanders op Java
Toen de Nederlanders op Java kwamen, stond een groot gedeelte van het eiland onder bewind van het sultanaat Mataram. In het begin, vroeg in de 17e eeuw, waren de relaties goed tussen het sultanaat en de VOC: Nederlanders verbleven aan zijn hof en de sultan wilde graag met de Nederlanders samenwerken. Hij was dan ook van mening dat de Nederlanders hem zouden helpen om zijn macht over het eiland uit te breiden.
Maar met de bouw van het fort Jacatra (later Batavia) was de sultan op zijn zachts gezegd ontevreden, hij stelde de Nederlanders voor een keuze: óf de Nederlanders aanvaarden de volledige macht van de sultan óf zij moesten vertrekken uit Java. Dit leidde in 1628 tot een poging van de sultan om het fort te veroveren, maar het fort hield stand. Rivaliteit tussen beide machten duurde voort, maar door onder andere de vele oorlogen waren de soenans (de titel sultan werd niet meer gebruikt) bankroet en moesten zij de Nederlanders vragen om hulp. Dit leidde uiteindelijk in 1749 tot de overgave van de soenan. Het gehele Mataram-rijk viel officieel onder Nederlandse macht, maar ze hadden geen macht over de volgelingen. Om de verschillende heersers op Java tevreden te houden werd het eiland opgedeeld in drie vorstenlanden. Na de opheffing van de VOC in 1798 viel het gehele grondgebied onder de Bataafse Republiek.

Het lot van de Franklin expeditie

Door: Folkert Westra

Het is misschien niet direct oud archeologisch nieuws, maar wel een bijzondere vondst. Canadese autoriteiten hebben bekend gemaakt dat een van de schepen uit de expeditie van Sir John Franklin is teruggevonden. De Canadese premier verklaarde dat hiermee “één van Canada’s grootste mysteries” mogelijk kan worden opgelost. Dit riep bij mij de vraag op wat er achter dit verhaal zit en waarom dit zoveel mensen al tijden lang in zijn greep houdt.

De Reis
Sir John Franklin was een Britse Schout bij Nacht en zeevaarder die al meerdere expedities langs de noordkust van Canada had gemaakt, voordat hij in 1845 met twee schepen vanuit Engeland vertrok om op zoek te gaan naar een noordelijke doorvaart rondom Amerika.
Op 19 mei 1845 vertrok Franklin met twee schepen, de HMS Erebus en de HMS Terror, vanuit Engeland, om via tussenstops in Schotland en Groenland koers te zetten richting het noorden van Canada om de noordwestelijke doorvaartroute te vinden.
Op 26 juli 1845 is de expeditie voor het laatst door Europeanen waargenomen, toen een walvisvaarder de twee schepen tegenkwam in een baai aan de noordwestkust van Groenland.

De Zoekactie
De daarop volgende twee jaar kwam er geen nieuws van de expeditie. De vrouw van Franklin verzocht de Britse Admiraliteit om een reddingsploeg te sturen, maar deze zag daar nog geen reden voor. De expeditie had namelijk voor drie jaar aan voorraden meegenomen en daarom besloot de admiraliteit om nog maar een jaar te wachten. Daarna zette de Admiraliteit een zoekactie op touw, en werd er een gigantisch bedrag van 20.000 pond geboden voor een succesvolle zoektocht.

In de daarop volgende jaren vertrokken er verschillende Britse en Amerikaanse schepen naar het poolgebied om te zoeken naar de Franklin expeditie.
Tijdens de zomer van 1850 bereikten een aantal schepen de oostkust van Beechey Island. Hier bevonden zich de graven van drie expeditieleden.
Het duurde vervolgens vier jaar voor een volgende vondst rondom de Franklin expeditie werd gedaan. In 1854 ontmoette een Britse ontdekkingsreiziger die bezig was met het in kaart brengen van gebieden in het noorden van Canada een lokale Inuk, die hem vertelde dat hij een groep van 35 tot 40 blanke mannen had gezien, die van de honger waren omgekomen. Verder werd er verteld dat er sprake was geweest van kannibalisme in de groep. Daarnaast was een aantal Inuit in het bezit van spullen die afkomstig waren van Franklin en andere expeditieleden. De melding van deze vondsten zorgde voor weer een aantal nieuwe zoekacties.
In 1859 werd ten slotte de meest opzienbarende vondst gedaan op King William Island. Onder een stapel stenen die was achtergelaten door de onderofficieren van de expeditie werden twee berichten aangetroffen. Het eerste bericht dateerde van 28 mei 1847 en vertelde dat de twee schepen ten noordwesten van King William Island in het ijs hadden overwinterd. Franklin had op dat moment nog steeds de leiding en volgens het bericht ging alles goed. Het tweede bericht, van 25 april 1848,  meldde dat beide schepen al meer dan een jaar vast zaten in het ijs. 24 expeditieleden waren omgekomen, waaronder Franklin. De 105 resterende bemanningsleden zouden de dag na het bericht naar het zuiden trekken.
Op een andere plek aan de westelijke kant van het eiland werden twee skeletten en een reddingsboot aangetroffen. De boot was volgeladen met de meest onzinnige spullen, zoals: zakdoekjes, zeep, slippers en veel boeken.
In de latere jaren zijn er nog verschillende expedities op touw gezet om het lot van de bemanning te achterhalen. De Britse autoriteiten hadden de bemanningsleden al overleden verklaard. De hoop om expeditieleden nog levend terug te vinden was hiermee opgegeven.

Recent onderzoek
In de jaren 80 van de vorige eeuw heeft een onderzoeksteam uitgebreid onderzoek gedaan op King William Island, waar verschillende menselijke skeletresten werden aangetroffen, die sporen vertoonden van het wegsnijden van het vlees van de botten. Dit lijkt de ooggetuigenverslagen van de Inuit, die meldden dat er onder de expeditieleden sprake van kannibalisme was, te bevestigen.

Om meer informatie over de gezondheid van de bemanningsleden te verkrijgen, werd er op het skeletmateriaal extra onderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat de botten een extreem hoge hoeveelheid lood bevatten. Om uit te sluiten dat dit ging om opbouw over een langere periode, werd besloten om verder onderzoek te doen op zacht weefsel. In 1984 en 1986 zijn de drie lichamen op Beechey Island onderzocht. Door de permafrost waren de lichamen van deze expeditieleden nog in vrij goede staat. Ook bij deze bemanningsleden werden extreme hoeveelheden lood aangetroffen, die tot zware lichamelijke en mentale klachten moet hebben geleid.
Van de expeditie van 1986 is trouwens een documentaire gemaakt, die hier te bekijken is.
De loodvergiftiging zorgde bij de bemanningsleden waarschijnlijk voor waanideeën, wat een verklaring kan zijn dat zij een reddingsboot vol laadden met de meest nutteloze spullen, om deze met veel moeite mee te willen nemen.
In eerste instantie werd gedacht dat de loodvergiftiging het gevolg is van loodsoldeer dat werd gebruikt bij het vele ingeblikte voedsel dat op de expeditie werd meegenomen. Recent onderzoek suggereert echter ook dat de waterzuiveringssystemen aan boord een bijkomende factor is geweest. Gezien de materialen die hiervoor gebruikt werden, leverden deze systemen zoet water voor de bemanning met grote hoeveelheden lood.

Naar de laatste rustplaats van de HMS Erebus en de HMS Terror is ook vele jaren tevergeefs gezocht, tot deze week. Met behulp van side scan sonar is de ligging van één van de schepen gevonden, welke van de twee is nog niet bekend.
Met de vondst van het schip kan een stukje van de puzzel over één van de grootste mysteries van Canada worden opgelost. Hopelijk kan er hiermee binnenkort meer duidelijkheid worden verschaft over het lot van de Franklin expeditie.

Steentijdboot uit Denemarken

Door: Folkert Westra

Bron: TV2 ØST
Bron: TV2 ØST

In Denemarken zijn archeologen op dit moment druk bezig met het bergen en onderzoeken van misschien wel de oudste boot gevonden in Denemarken. De bijzondere vondst is gedaan toen een energiemaatschappij bezig was met het vernieuwen van kabels op de zeebodem.

Het vaartuig was zes tot zeven meter lang en geschat wordt dat het ongeveer 6.500 jaar oud is. Misschien wel het meest interessant aan het bootje is dat deze beschadigd is geraakt, en dat er geprobeerd is dit te herstellen. Volgens Jørgen Dencker, hoofd onderwaterarcheologie van het Vikingschipmuseum in Roskilde, is er geprobeerd de scheur te repareren door deze af te dekken met een strook bast. Daarnaast zijn aan weerszijden van de scheur gaten geboord, deze zijn gevuld met hars, die waarschijnlijk is gekauwd om hem kneedbaarder te maken.

Samenhangend met de vondst van de boot is er door de archeologen ook een verzonken steentijdnederzetting aangetroffen, die op dit moment ook wordt onderzocht. De archeologen hopen dat organisch materiaal, zoals hout, bot en gewei onder water bewaard is gebleven.

Daarnaast kan de vondst van de boot en de nederzetting bijdragen aan het in kaart brengen van de kustlijnen van duizenden jaren geleden.

Kunst van de Neanderthalers

Door: Jacobine Melis

Diep in een grot op Gibraltar zijn gravures gevonden, insnijdingen in een rots als een raster, ofwel een hashtag #. Volgens de onderzoekers in Gibraltar zijn ze ouder dan 39.000 jaar geleden en gemaakt door de Neanderthaler (Homo neanderthalensis, leefde 230.000-30.000 jaar geleden in Europa en West-Azië). Hierdoor zijn de gravures de oudste kunst in Europa en het eerste bewijs van kunst door Neanderthalers. Maar niet iedereen is het daarmee eens.

Onderzoek
Het onderzoek op Gibraltar is begonnen aan het einde van de jaren ’80, in een grot (Gorham’s cave) die uitkijkt over de Middellandse Zee. In juli 2013 verplaatste het onderzoek zich via een nauwe doorgang naar een ruimte waarbinnen de grond een gedeelte sterk verhoogd was. Op de verhoging waren krassen gemaakt van een paar millimeter diep over een gebied van 20×20 cm.

De onderzoekers uit Gibraltar zijn ervan overtuigd dat de kunst door Neanderthalers gemaakt is, omdat de laag die erop lag, door Neanderthalers gebruikte werktuigen bevatte – waardoor de gravures nog ouder moeten zijn. Toch kan er niet met zekerheid gezegd worden dat de gravures tot de Neanderthalers behoren, het kan namelijk ook zijn dat de gravures gemaakt zijn door de moderne mens (Homo sapiens), waarna ze zijn overdekt door de laag met werktuigen.

Kunst?
Dat het niet zo maar krasjes zijn heeft het Gibraltarees team tevens onderzocht. Met de stenen werktuigen moet er vele malen op dezelfde plek gekrast worden om zulke diepe krassen te maken. De tekeningen zijn dus zeer bewust gemaakt. Maar wat het doel van de krassen is, blijft onbekend. Is het kunst en heeft het dus verder geen functie? Is het een kaart?
Andere vondsten tonen dat Neanderthalers wel bezig waren met symboliek, zo maakten ze gebruik van oker en kralen van schelpen. Waarschijnlijk dat deze krassen dan ook bij dit soort symboliek horen.

Een uitgebreid artikel incl. filmpje is op de website van Nature te lezen.