Categorie archief: Nederlandse archeologie

Uniek in Noordwest-Europa: grafveld van de trechterbekercultuur in Dalfsen

Door: Jacobine Melis

Trechterbeker. Bron: wikipedia
Trechterbeker.
Bron: wikipedia

Archeologen hebben in Dalfsen een enorm grafveld gevonden van de bouwers van de hunebedden: het trechterbekervolk dat zich in het noorden van Nederland, ten noorden van de Donau en Zuid-Scandinavië vestigde tussen 4350-2700 voor Christus. De vondst is uniek: het is het enige bekende trechterbekergrafveld in Nederland en het grootste van Noordwest-Europa. “Het is een vondst die je misschien eens in de 50 jaar aantreft en die onze kijk op deze periode blijvend zal veranderen,” zegt prof. dr. Daan Raemaekers van het Groninger Instituut voor Archeologie.

De vondsten zijn gedaan waar de nieuwe wijk Oosterdalfsen wordt gebouwd. Dit gebied bestaat uit een reeks zandruggen langs de Vecht. De zandruggen liggen hoger in het landschap en vormden daarom een aantrekkelijke vestigingsplaats voor het trechterbekervolk. Zo hebben ze minder last van hoog water en een betere verdedigbare positie.

Tijdens de opgraving zijn 120 vlakgraven gevonden. De grafkuilen zijn te herkennen als eivormige verkleuringen, waarbinnen soms nog een lijksilhouet, het vergane skelet van een mens, te herkennen valt. Enkele prehistorische mensen zijn begraven in een rechthoekige, houten kist. Om sommige graven werd een cirkel paalsporen gevonden, bewijs dat enkele graven zijn gemarkeerd met een hoge palenkrans. Zo’n apart graf is mogelijk een teken van een hogere status. Waar de elite in Drenthe waarschijnlijk in hunebedden werd begraven, ontbreken die grafmonumenten in Overijssel. Simpelweg omdat er geen grote stenen in de buurt lagen om ze mee te bouwen.

De meeste graven waren gevuld met bijgiften van trechterbekers (om de doden van voedsel te voorzien), stenen bijlen, barnstenen kralenkettingen en vuurstenen pijlpunten en messen. De aardewerken bekers kunnen aan de hand van de vorm en versiering gedateerd worden tussen 2900-2750 voor Christus, een relatief korte periode. Archeologen vermoeden daarom dat het grafveld tot een kleine gemeenschap behoorde.

Een tweede unieke vondst in Dalfsen is de plattegrond van een trechterbekerhuis. Het is de eerste zekere huisplattegrond van dit prehistorische volk. Het betreft een rechthoekige boerderij met een puntdak en vlechtwanden waar leem op gesmeerd werd.

Andere archeologische sporen behoren tot een 5000 jaar oude weg en een aarden monument. Hiervan is de functie nog onbekend, maar zeker is dat het in die tijd een opvallende structuur moet zijn geweest.
De gevonden artefacten zullen veel nieuwe inzichten geven over dit onbekende volk: over hun nederzetting, leefwijze, grafrituelen en dergelijke. De menselijke resten worden onderzocht om eventuele familiale relaties te achterhalen en hoe deze verband houden met de rijkdom van de graven.

Eeuwenlang vormden hunebedden de focus in het onderzoek naar de prehistorie in Nederland. De stenen grafkamers zouden zijn gebouwd door reuzen, beweerde ‘vader van de Drentse geschiedschrijver’ Johan Picardt in de zeventiende eeuw. De monumenten werden al in een vroeg stadium leeggegraven. De vondsten waaronder de karakteristieke trechterbekers, voorraadpotten met een wijd naar buiten lopende rand, belandden in musea.

Lange tijd waren de hunebedden het enige goed onderzochte kenmerk van de trechterbekercultuur. Ze geven een inkijkje in de prehistorische wereld, maar dit is wel een beperkte blik. Het trechterbekervolk begroef niet al zijn doden in de hunebedden, mogelijk alleen de elite. Anderen werden, soms in een kist, begraven in een vlakgraf of in een grafheuvel. Daarnaast moeten ze ook in de buurt van de hunebedden gewoond hebben.

Het prehistorische volk leek ongrijpbaar. Er zijn locaties bekend in Drenthe waar het vol ligt met trechterbekerscherven, maar opgravingen leiden tot weinig duidelijke sporen in de grond. Nederzettingen zijn onbekend. Waar de prehistorische mensen leefden? Archeologen wisten het niet. Tot nu.

Amateurarcheologen graven onderduikershol uit

Door: Jacobine Melis

Jan Benjamins toont de ingang van het onderduikershol. Foto: Jacobine Melis
Jan Benjamins toont de ingang van het onderduikershol. Foto: Jacobine Melis

Het bekende onderduikershol in het Evertsbos tussen Anloo en Eext wordt archeologisch onderzocht. Het hol was in de Tweede Wereldoorlog een schuilplaats voor mensen uit het verzet. In september 1944 is het hol ontdekt. Na er jaren veilig te hebben geleefd, waren de bewoners onvoorzichtig geworden: “Een Duitse officier rook gebraden vlees en verwittigde andere Duitsers,” zegt Albert Hovius voorzitter van de historische vereniging Anloo. Drie onderduikers zijn gefusilleerd.

Het hol ligt tegenwoordig in een open heidegebied, maar ten tijde van de Tweede Wereldoorlog was het dichtbebost. Het hol lag goed verborgen. Dit was nodig om niet ontdekt te worden door de Duitsers, maar ook vanwege de vele NSB’ers die Drenthe kende. Jan Benjamins, een van de begeleiders van de opgraving, vermoedt dat de makers een gat hebben gegraven en het uitgegraven zand langs de randen hebben gestort. Zo kreeg het hol opstaande wanden. “Op het zand heeft waarschijnlijk een dak gelegen, maar het is ons nog niet duidelijk waarvan ze dat gemaakt hebben. We hebben geen asbest gevonden, terwijl dat wel een makkelijke, snelle manier was om een dak te maken,” zegt Benjamins.
In 1943 is er een filmpje gemaakt van het hol. We zien er vooral de onderduikers op en de omgeving van het hol, maar het geeft ook enige aanwijzingen van het hol zelf. Zo zat er een deur in met een raampje of een gat zodat er licht naar binnen kon schijnen.

Glazen voorwerp in de profielwand van het onderduikershol. Foto: Jacobine Melis
Glazen voorwerp in de profielwand van het onderduikershol. Foto: Jacobine Melis

In september 1944 werd het hol ontdekt. Er zaten op dat moment acht mensen in. Drie van hen, Jakob Bruggema (35), Harm Molenkamp (23) en Gerard Oosting (27), zijn direct opgepakt, naar Westerbork gestuurd en gefusilleerd. De andere vijf konden ontsnappen. Het hol is vervolgens door de Duitsers gesloopt. Ze hebben er handgranaten ingegooid. “We hebben bij de opgraving fragmenten van handgranaten gevonden. Onderzoek moet uitwijzen of het om Duitse exemplaren gaat,” zegt Benjamins.

Op 8 april 1945, twee dagen voor de bevrijding, werden tien mensen vanuit het beruchte Scholtenhuis in Groningen, het regionaal hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst, naar het hol gebracht. Ze werden geëxecuteerd en hun lichamen zijn in het hol gelegd en deels overdekt met zand en takken. “Ze waren erg toegetakeld en moeten flink mishandeld zijn,” legt Hovius uit. Op de herdenkingssteen, op zo’n 20 meter afstand van het hol, staan de namen van deze tien geëxecuteerden.

De opgraving wordt uitgevoerd door vrijwilligers van de historische vereniging Anloo. “De eerst helft is opgegraven, maar we hebben zo veel gevonden dat we gestopt zijn. We moeten nu eerst afwachten of we meer financiering krijgen, dan kunnen we eventueel verder opgraven,” zegt Benjamins.

Voor Wijnand van der Sanden, provinciaal archeoloog van Drenthe, hoefde de opgraving niet zo nodig. Archeologen proberen zo min mogelijk op te graven. Liever behouden ze de archeologische sporen in de grond. Opgravingen worden alleen uitgevoerd als daar een noodzaak voor is: wanneer de sporen bijvoorbeeld verloren zouden gaan. Hierover zegt Hovius: “Dat we nu onderzoek doen naar de resten van MH17 wordt noodzakelijk gezien, om de slachtoffers te herinneren. Dit is ook de reden dat het onderzoek van het onderduikershol noodzakelijk is. Zo kunnen we de onderduikers herdenken.”

Het herdenkingsmonument vlak bij het hol. Foto: Jacbine Melis
Het herdenkingsmonument vlak bij het hol. Foto: Jacbine Melis

Het hol is na verloop van jaren steeds verder dicht gestoven. Er was nog een lichte kuil in het landschap zichtbaar, maar het was niet herkenbaar als hol. De historische vereniging wil het hol weer zichtbaar maken. Een pad zal van het hoofdpad leiden naar het hol. Er worden dertien jeneverbessen geplaatst, tien voor de bij het hol geëxecuteerden en drie voor de gefusilleerde bewoners van het hol. Vier palen in de grond gezet, elk op een hoek van het hol. Het informatiebord aanpassen en op de gedenksteen de drie opgepakte onderduikers toevoegen.

Soldaten van de landmacht zullen tijdens de Landmachtdagen, op 12 en 13 mei, meehelpen om het hol zichtbaarder te maken. De Landmachtdagen staan in het teken van “contact met de samenleving,” schrijft Defensie. Soldaten trekken het land in om de mensen kennis te laten maken met de landmacht.

Voorjaarsstorm legt vuilstort Friesche veen bloot

Door: Folkert Westra

Tussen de wortels van een omgewaaide boom is  oud huisvuil terug te vinden. Foto: D. Witteveen
Tussen de wortels van een omgewaaide boom is oud huisvuil terug te vinden. Foto: D. Witteveen

De voorjaarsstormen van de afgelopen weken hebben in natuurgebied het Friesche veen, tussen Haren en Paterswolde sporen uit het verleden naar boven gebracht. Enkele bomen hebben de krachtige wind niet overleeft en zijn omgegaan. Tussen de boomwortels bleek ook een deel van een oude vuilstort naar boven te zijn gekomen. Tussen ongeveer 1900 en 1930 werd de oostzijde van het Friesche veen door de stad Groningen gebruikt als vuilstort. Het vuil werd met schepen van de stad naar het Friesche veen verscheept en daar aangebracht om de dijk te verstevigen.

Foto: D. Witteveen
Foto: D. Witteveen

Na 1930 werd ingezien hoe uniek het gebied is en heeft men besloten het gebied te beschermen. In het verleden is het overigens al vaker gebeurd dat omgewaaide bomen een deel van de oude vuilstort blootlegden. Voor wie binnenkort gaat wandelen bij het Friesche veen is een stukje geschiedenis van de stad Groningen uit begin 20ste eeuw te bezichtigen.

IJzertijdskelet bij Bonnerklap

Door: Folkert Westra

Detail van het stroomgebied van de Hunze op een kaart van Cornelis Pijnacker uit 1634. Bron: Wikimedia Commons
Detail van het stroomgebied van de Hunze op een kaart van Cornelis Pijnacker uit 1634. Bron: Wikimedia Commons

Enkele maanden geleden berichtten we over de vondst van een keersluis bij Bonnerklap. De vondst werd gedaan in het kader van herstelwerkzaamheden aan de oude loop van de Hunze. Terloops meldden we toen dat niet ver van de keersluis ook een menselijk skelet was aangetroffen. Op dat moment werd er geschat dat het skelet enkele honderden jaren oud was, maar dat moet nu toch worden bijgesteld. Het waterschap Hunze en Aa’s heeft bekend gemaakt dat onderzoek heeft uitgewezen dat het skelet uit de IJzertijd afkomstig is en 2500 tot 2800 jaar oud is.

Begin oktober stuitten de aannemer en archeologen van ingenieursbureau MUG bij het uitgraven van de oude beekloop op het skelet. Het skelet bleek nog zeer compleet te zijn en bevatte ook nog grote delen van de schedel. Het eerste onderzoek wees toen al uit dat het om het skelet van een volwassen man zou gaan. De schedel is nu gedateerd met behulp van de C14-methode en heeft uitgewezen dat hij veel ouder is dan eerder was geschat.
Omdat de vondst archeologisch zo interessant is, krijgt het onderzoek een vervolg. Er zal geprobeerd worden te achterhalen hoe het skelet in de IJzertijd op deze plek terecht is gekomen.

Bron: www.hunzeenaas.nl

Cypriotisch amulet met palindroom

De Agora van Nea Paphos, vindplaats van het amulet. Bron: Wikipedia.
De Agora van Nea Paphos, vindplaats van het amulet. Bron: Wikipedia.

Door: Jacobine Melis

Op Cyprus is een bijzonder tweezijdig amulet gevonden van ongeveer 1500 jaar oud. Aan de ene zijde vormen 559 Griekse letters een palindroom. Aan de andere zijde zijn Egyptische godenfiguren afgebeeld. Het amulet is gedateerd in de tijd dat Cyprus tot het Byzantijnse rijk hoorde. Het toont aan dat op Cyprus niet alleen het Christelijke geloof werd beoefend maar dat daarnaast ook andere geloven konden bestaan.

Afbeeldingen van het amulet vind je hier.

Palindroom
Een palindroom is een zin of woord die van links naar rechts, maar ook van rechts naar links gelezen kan worden. Bekende Nederlandse voorbeelden zijn lepel en parterretrap. De palindroom op het amulet is vertaald: “Jahweh is de drager van de geheime naam, de leeuw van Ra veilig in zijn tombe.” Jahweh is een andere naam voor god en Ra was de belangrijkste god in de Egyptische wereld, de zonne- of scheppersgod. In de antieke wereld zijn meerdere voorbeelden bekend van vergelijkbare spreuken.

Harpocrates op een lelie. Ook hier maakt hij het gebaar van zijn vinger naar de mond. Bron: Wikipedia
Harpocrates op een lelie. Ook hier maakt hij het gebaar van zijn vinger naar de mond. Bron: Wikipedia

Egyptische figuren
Er staan drie figuren afgebeeld op het amulet. Een gemummificeerd persoon gelegen op een boot (midden op het amulet) is mogelijk een weergave van de Egyptische god Osiris, de god van de onderwereld. Boven Osiris is Harpocrates afgebeeld, zittend op een stoel met zijn hand naar zijn mond. Harpocrates wordt doorgaans afgebeeld met een vinger voor zijn mond. Sinds de Romeinse tijd wordt hij vanwege dit gebaar gezien als de god van de stilte, maar het gebaar was oorspronkelijk een weergave van hem als kind . Aan de rechterzijde van Harpocrates is een Cynocephalus afgebeeld, een wezen met een hondenkop.
Egyptische goden worden altijd op dezelfde manier afgebeeld. Zo zijn ze goed te herkennen. De maker van het amulet heeft de goden op iets andere wijze vormgegeven. Zo zit Harpocrates op een stoel terwijl hij op een lotus hoort te zitten en maakt Cynocephalus hetzelfde gebaar als Harpocrates wat erg ongebruikelijk is. Mogelijk dat de maker niet genoeg op de hoogte was van de normale manier van afbeelden om het juist te doen.

Vindplaats
Het amulet is in Nea Paphos gevonden, een kustplaats in het zuidwesten van Cyprus. Deze plaats is zeer rijk aan archeologie, de gehele stad staat op de UNESCO werelderfgoedlijst. De archeologen waren de Agora van de stad aan het onderzoeken, daar troffen zij het amulet aan. Een Agora was de marktplaats en verzamelplaats binnen een grote nederzetting. Hier kwam het sociale en economische leven van een stad samen.

Bron: www.livescience.com

West-Friezen vissen millennialang

Nederlands landschap in de Bronstijd. Op de kaart is te zien dat op de plek van het IJsselmeer vele zoetwatermeren lagen. Bron: Wikipedia.
Nederlands landschap in de Bronstijd. Op de kaart is te zien dat op de plek van het IJsselmeer vele zoetwatermeren lagen. Bron: Wikipedia.

Door: Jacobine Melis

West-Friezen joegen in de Bronstijd al op vissen. De vissers wisten waar en wanneer ze moesten vissen. Ze waren op de hoogte van de verschillende periodes dat vissen van en naar de zee zwommen. En maakten daar gretig gebruik van. Ze visten op verschillende manier: met behulp van visfuiken en -weren, netten, etc. Per locatie verschilden de vistechnieken en de soorten vis die werden gevangen.

Visserij
Vanaf 700 na Chr. stonden de steden aan de Zuiderzee, Enkhuizen en Medemblik, in verbinding met handelsroutes van de Rijn naar de Noord- en Oostzee. Er werd veel vis gevangen en verhandeld. Het was een belangrijke voedselbron. De visserij in het gebied gaat terug tot in de Bronstijd. Er was nog geen sprake van een IJsselmeer of Zuiderzee. Het landschap bestond uit grote zoetwatermeren, waarvan de meeste niet in verbinding stonden met de Noordzee. De vissen die men at bestonden vooral uit zoetwatervissen.
De vis werd gegeten door de vangers zelf. Ze werden nog niet verhandeld. Snijsporen op de botresten tonen dat de vis gefileerd werd. Daarnaast zijn er verbrande stukken bot aangetroffen. Dit bewijst dat de vissen voordat zij van hun botten ontdaan werden, gebakken zijn.

Farmers of the coast project
De Universiteit leiden onderzoek de Bronstijd van West-Friesland in het Farmers of the coast project. Het gebied West-Friesland, ligt vol met sporen uit de Bronstijd. Dit maakt West-Friesland een goede plek om onderzoek te doen naar de Bronstijd. Deze tijd is hier meer aanwezig dan op andere plekken in Nederland of misschien zelfs in Europa. Waarom deze sporen juist in West-Friesland te vinden zijn, heeft verscheidene redenen: de West-Friese grond is goede grond; vanwege de vochtige omstandigheden zijn de resten ook goed bewaard gebleven en mogelijk dat de onderzoeken meer verklaring hiervoor kan geven. Daarnaast zijn er al veel grote opgravingen geweest dus er zijn al veel sporen opgegraven. De resten van de opgravingen zijn nog niet geheel onderzocht en kunnen ons veel vertellen over de Bronstijd. Wel is duidelijk dat de Bronstijd in West-Friesland bijzonder te noemen is, het landschap is toen al geheel in cultuur gebracht.

Bron: www.bronstijdwestfriesland.nl 

Romeinse pluk haar gevonden in Leuth

Door: Jacobine Melis

Bij een opgraving te Leuth hebben archeologen de rand van een Romeinse nederzetting aangesneden. Er zijn veel bijzondere sporen uit de 1e-2e eeuw na Chr. gevonden, waaronder een stuk mensenhaar. Er zijn geen vergelijkbare vondsten bekend uit de regio Nijmegen. Het haar bevat zwarte pigment-granulen, wat bewijst dat de eigenaar donker haar had.
Naast het stukje haar zijn er verschillende andere vondsten aangetroffen: geïmporteerd Romeins aardewerk, mantelspelden, waterputten, een graanschuur, kookpotten, wijnbekers en persoonlijke attributen als een mooie kledingstukken. De Romeinse objecten zijn niet alledaags wat erop wijst dat het een welvarende nederzetting moet zijn geweest. De aard van de vondsten duidt daarnaast op de aanwezigheid van een Romeins legerkamp.

Leuth in de Romeinse tijd
Leuth ligt circa 10 km van Nijmegen, dat tijdens de Romeinse tijd een belangrijk castrum was (Ulpia Noviomagus Batavorum) langs de Romeinse grens, de limes. Bij eerdere onderzoeken zijn er verschillende sporen van Romeinse activiteiten in Leuth aangetroffen. Zo werd er in 2000 een opgraving uitgevoerd waarbij zo’n 100 graven uit deze tijd naar boven kwam. Het grafveld lag, zoals bij de Romeinen gebruikelijk was, buiten de stad en langs de Romeinse weg, de huidige Botsestraat.

Bron: BN De Stem en de Gelderlander

Middeleeuws cultuurlandschap blootgelegd in Zuiderloo

Door: Folkert Westra

Bij archeologisch onderzoek in de wijk Zuiderloo, te Heiloo, onder de rook van Alkmaar zijn mooie vondsten naar boven gekomen. Er werden onder meer waterputten; afwateringsgreppels ;en boerderijen en bijgebouwen uit de Middeleeuwen aangetroffen. Tevens werden ook scherven uit de IJzertijd en Romeinse tijd gevonden, die duiden op nog oudere bewoning. Zuiderloo bevindt zich op de strandwal van Heiloo, die al sinds duizenden jaren bewoond wordt. Door het eerdere gebruik als bollenland was er in eerste instantie weinig hoop op sporen van oude bewoning. Alleen de diepere sporen als waterputten en perceelgreppels zijn ontsnapt aan het diepploegen. 

Het onderzoek
De onderzoekers van het archeologisch bureau Diachron UvA, die de opgraving verrichtten, hebben de boerderijen, bijgebouwen en verspreid liggende waterputten uit de Vroege Middeleeuwen nader onderzocht.  Zo bleek dat midden over het terrein, van noord naar zuid een kleine laagte in het toenmalige oude duinlandschap lag. De laagte werd gebruikt voor het slaan van waterputten en het graven van afwateringsgreppels. Aan weerszijden van de laagte bevonden zich de woonerven met de boerderijen en bijgebouwen.

Waterputten
Het twintigtal aangetroffen waterputten is op verschillende manieren gebouwd. Sommige putten werden gemaakt met behulp van ingegraven tonnen, anderen van vlechtwerk; maar ook houten kistwerk of gestapelde graszoden werden gebruikt. Eén waterput viel op door de grote omvang van 2×2 m. Het bovenste deel van de put was gemaakt van grof gekapte stammen van minstens twee eiken. Waarvoor deze put heeft gediend is voor de onderzoekers nog niet duidelijk.

Landschap
Dankzij het onderzoek is er nu meer bekend geworden over het uitgestrekte vroegmiddeleeuwse cultuurlandschap wat zich onder het huidige tuinbouw gebied bevond. Van noord naar zuid bevonden zich op korte afstand van elkaar vele woonerven van boeren. Mogelijk was er zelfs sprake van meerdere bewoningslinten. In de Late Middeleeuwen was hiervan niets meer te zien.

Bron: www.dichtbij.nl

Late Bronstijd boerderij aangetroffen te Wapenveld (GD)

Door: Jacobine Melis

Langs de IJssel te Wapenveld, 10 km ten noorden van Zwolle, zijn sporen aangetroffen van een grote, prehistorische boerderij. Het betreft een woon-stalhuis, een boerderij waarvan een gedeelte als woongedeelte fungeerde en het andere gedeelte als verblijf voor het vee. Deze tweedeling is in huisplattegronden goed te herkennen: in één deel staan namelijk de binnenstijlen veel dichter op elkaar, dit zijn de afzonderlijke stijlen waarbinnen steeds één rund werd gestald.

Naast de boerderij zijn er enkele bijgebouwen aangetroffen en bewijs voor het produceren van aardewerk. Op het eerste gezicht worden de sporen toegeschreven tot de Late Bronstijd (1100-800 v. Chr.).

Bron: De Stentor

Onderzoek naar 17e-eeuwse scheepswerf in Amsterdam

Door: Folkert Westra

Archeologen in Amsterdam hebben afgelopen maand onderzoek gedaan naar de Stadsschuitenmakerij op het Oostenburgeiland. Deze schuitenmakerij werd in de 17e eeuw gebruikt voor het bouwen van schepen die bedoeld waren voor het onderhouden van de grachten. De Stadsschuitenmakerij lag vlak bij de scheepswerf van de VOC, dat zich op hetzelfde eiland bevond.

Het archeologisch onderzoek was noodzakelijk omdat er volgend jaar appartementen op het terrein zullen worden gebouwd. Bij de opgraving werden onder andere baardmankruiken en majolica borden aangetroffen, die informatie kunnen leveren over hoe de mensen daar leefden. Naast deze vondsten zijn er ook overblijfselen van werkplaatsen, scheepshellingen en kademuren aangetroffen. Deze vondsten leveren volgens stadsarcheoloog Jerzy Gawronski veel nieuwe informatie op. In eerste instantie was de enige informatie over dit gebied afkomstig van plattegronden uit het archief, maar nu zijn de constructies van de werf en de haven zelf zichtbaar geworden.

Bron: www.erfgoedstem.nl